Gemeente Wezembeek-Oppem
  • Terug naar startpagina
  • Print
  • Sitemap
  • Trefwoordenlijst
Share/Save/Bookmark

Historiek


De wetgeving over inrichtingen die hinder kunnen veroorzaken of een risico betekenen voor de mens en het leefmilieu is niet nieuw. Op deze pagina geven we u een kort historisch overzicht van de voorlopers van het huidige VLAREM.

De middeleeuwen



De allereerste milieureglementen dateren uit de tijd van de opkomst van de steden. Deze verordeningen waren er hoofdzakelijk op gericht om brandgevaar en verspreiding van ongedierte tegen te gaan. Iedere stad had dan ook haar eigen wetten en reglementen.

De moderne tijden


De Industriële Revolutie transformeerde stadscentra tot ware industriegebieden. Kleine manufactuurtjes groeiden uit tot echte fabrieken en door het gebrek aan kennis en aan regels veroorzaakten ze veel hinder. In Londen was de rokerige mist (smog) berucht; in de periodes van wintersmog tussen 1870 en 1955 zijn er vele tienduizenden Londenaars vroegtijdig gestorven. Maar ook korter bij huis maakte de industrie slachtoffers. In december 1930 veroorzaakte de smog in Luik een sterfte van “vele duizenden”. Het onderzoeksrapport “Firket” van 1933 naar deze ramp toonde voor de eerste maal de rechtstreekse band aan tussen wintersmog en sterfte.

Mede door dit rapport kwam de “moderne” wetgeving die gericht was op de bescherming van de omgeving tegen de nadelige gevolgen van hinderlijke bedrijven in een stroomversnelling.

De eerste reglementering

 

De allereerste reglementen kwamen tot stand bij Keizerlijk Decreet van 15 oktober 1810 betreffende de inrichtingen die een ongezonde of hinderlijke geur verspreiden.
Dan duurde het meer dan driekwart eeuw tot met de wet van 5 mei 1888 betreffende het toezicht op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen en op de stoomtuigen en stoomketels, een nieuwe basis voor een vergunningssysteem werd gelegd. In de gemeentelijke archieven zijn dit meestal de oudste gegevens die we nog terug vinden.
De milieudienst is nu bezig al deze informatie te digitaliseren en ze te verwerken in een geografische databank. Deze vergunningen bevatten aanwijzingen over installaties die al lang verdwenen zijn en waarvan niemand zich nog iets herinnert, maar waarvan de gevolgen vandaag de dag er nog steeds zijn in de vorm van bodemverontreiniging.
Bij koninklijk besluit van 10 augustus 1933 betreffende de politie op de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen werd voorzien in een indelingslijst van dergelijke inrichtingen. De tekst gaf ook steeds een motivering voor de opname van de activiteit op de lijst. Elke persoon die dergelijke activiteiten wil ontwikkelen moet sindsdien een toelatingsprocedure volgen vooraleer te kunnen starten. Er werd ook voorzien in een toezicht tijdens de activiteit. De lijst met gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen werd regelmatig aangepast en aangevuld.

Het ARAB


Bij besluit van de Regent van 11 februari 1946 werden de titels I en II van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming (ARAB) vastgesteld (later gewijzigd). Het ARAB bundelde verschillende wetten en koninklijke besluiten in verband met arbeidsveiligheid, arbeidshygiëne en omgevingsbescherming in één code.
Titel I voorzag in een indeling en vergunningsplicht van de als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk ingedeelde inrichtingen met uitsluiting van de mijnen, ondergrondse graverijen en groeven, en van de fabrieken en opslagplaatsen voor springstoffen.
Voor deze uitgesloten inrichtingen bestonden specifieke regelingen. De bepalingen van het ARAB werden regelmatig gewijzigd en aangevuld. Sinds het ontstaan zijn er circa 250 wijzigingen
geweest.
Uit het ARAB ontstond begin jaren 1980 een afzonderlijke reglementering op elektrische installaties(AREI). Zowel het ARAB als het AREI blijven tot op vandaag deels van kracht.

Regionalisering



Met de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen werd het beheer van het leefmilieu in België een taak voor de gewesten (het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest). De gewesten werden bijgevolg bevoegd om een eigen beleid inzake hinderlijke inrichtingen te voeren. Het bestaande Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming werd in de jaren '80 grotendeels behouden in het Vlaamse Gewest. Een nieuw beleid rond hinderlijke inrichtingen kondigde zich aan met het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, waarbij ook de wet van 5 mei 1888 werd opgeheven.

Vlarem



Dat nieuwe milieuvergunningsdecreet trad in werking op 1 september 1991 met het eerste uitvoeringsbesluit: het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (titel I van het VLAREM).
Dit besluit regelt o.a. de verschillende procedures en de bevoegdheidsverdeling daarin. Bijlage I van dit besluit bevat de lijst met inrichtingen en activiteiten die als hinderlijk zijn ingedeeld.
Een volgend uitvoeringsbesluit, het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (titel II van het VLAREM) bundelde o.a. de milieuvoorwaarden onder dewelke een inrichting mag worden geëxploiteerd.

De VLAREM milieuvergunning integreert meerdere vroegere vergunningsstelsels:

  • de ARAB-vergunning (exploitatievergunning)
  • de lozingsvergunning (geregeld in de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging)
  • het houden van wedstrijden, test- en oefenritten
  • de afvalvergunning
  • de grondwaterwinningsvergunning (sinds 1999)


De stedenbouwkundige vergunning werd niet geïntegreerd in de milieuvergunning maar werd er wel aan gekoppeld.

Contact
Milieudienst

Louis Marcelisstraat 134
1970 Wezembeek-Oppem

Openingstijden

maandag, woensdag en donderdag van 8u30 tot 11u45

Medewerkers

Bart Fillé
Milieuambtenaar
02 783 12 66


Wezembeek-Oppem 2009 Louis Marcelisstraat 134 - 1970 Wezembeek-Oppem - Tel: 02 783 12 11 - Fax: 02 731 06 72
design & development by e2e NV